ECLI:NL:RBDHA:2018:13739
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond wegens niet aannemelijke gezinsband en Dublinverordening toepassing
Eiser, een Somalische nationaliteit bezittende persoon, diende op 3 juli 2018 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. De Italiaanse autoriteiten hadden eerder een visum aan eiser verleend en waren akkoord gegaan met overname.
Eiser voerde aan dat er sprake is van een feitelijke gezinsband en dat zijn kinderen afhankelijk zijn van hem, maar verweerder stelde dat dit niet aannemelijk was gemaakt. De rechtbank oordeelde dat de gezinsband niet in geschil was in de besluitvormingsfase, maar dat de afhankelijkheid van de kinderen niet was aangetoond, mede omdat de echtgenote voor de kinderen kan zorgen en er geen medische onderbouwing was.
Verder werd het beroep op artikel 9 van Pro de Dublinverordening verworpen omdat de echtgenote van eiser geen internationale bescherming geniet. Ook het beroep op artikel 16 en Pro 17 van de Dublinverordening en op artikel 8 EVRM Pro slaagden niet. De rechtbank oordeelde dat het Italiaanse decreet nr. 113/2018 nog niet definitief is en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet is komen te vervallen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht de aanvraag niet in behandeling heeft genomen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de aanvraag asiel niet in behandeling genomen.