ECLI:NL:RBDHA:2018:13913
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid en opheffing maatregel van bewaring na afwijzing asielaanvraag
Eiser, van Georgische nationaliteit, kreeg op 4 september 2018 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Na afwijzing van zijn asielaanvraag op 15 oktober 2018 werd de maatregel met drie maanden verlengd. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de maatregel vanaf 13 september 2018, het moment van sluiting van het eerdere onderzoek. Gelet op het arrest Gnandi van het HvJ EU en de beschikking C, J en S, oordeelde de rechtbank dat het verblijf van eiser gedurende de periode waarin beroep mogelijk is, als rechtmatig moet worden beschouwd volgens artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw. Dit betekent dat de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, voort kon duren tot het moment van de afwijzing.
De rechtbank constateerde echter dat verweerder het betoog van eiser dat de maatregel niet langer noodzakelijk was, niet heeft weersproken. Hierdoor werd de voortzetting van de maatregel na 15 oktober 2018 onrechtmatig. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de maatregel vanaf die datum en kende eiser een schadevergoeding toe van € 2.320,- voor 29 dagen onrechtmatige bewaring. Tevens werden de proceskosten van € 1.252,50 aan eiser toegekend.
De uitspraak is onherroepelijk en er is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De maatregel van bewaring is onrechtmatig vanaf 15 oktober 2018 en wordt opgeheven met toekenning van schadevergoeding en proceskosten.