Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2018 in de zaak tussen
[naam] , eiser
.
Rechtbank Den Haag
Eiser, houder van een verblijfsvergunning regulier, werd geconfronteerd met een besluit tot intrekking van zijn vergunning en een ongewenstverklaring. Na bezwaar werd dit bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. Eiser stelde dat het besluit niet tijdig was bekendgemaakt omdat het pas op 17 augustus 2017 per e-mail aan zijn gemachtigde werd verzonden.
De rechtbank oordeelde dat het besluit op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt door aangetekende verzending naar het laatst bekende adres, een gevangenis in Finland, en publicatie in de Staatscourant. De aangetekende brief was retour gezonden als ‘unclaimed’, wat de correcte verzending bevestigt. Eiser kon niet aantonen dat hij het besluit niet tijdig had ontvangen.
Verder was de gemachtigde van eiser pas na verzending van het besluit bij de procedure betrokken, zodat toezending aan de gemachtigde op 17 augustus niet relevant was voor de aanvang van de bezwaarperiode. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en het bezwaar niet-ontvankelijk geacht.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen intrekking verblijfsvergunning en ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard.