Uitspraak
12 juli 2012, 12/364 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering. Het UWV paste de uitkering aan op grond van gewijzigde inkomsten uit arbeid en vorderde onverschuldigde betalingen terug. Appellant maakte bezwaar tegen de besluiten van 22 augustus en 22 september 2011. Het bezwaar tegen het besluit van 22 augustus 2011 werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het UWV niet verplicht was het besluit ook aan de gemachtigde van appellant te sturen, zodat de bezwaarperiode correct was gestart. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van nauwe verwevenheid tussen besluiten, waardoor het besluit ook aan zijn gemachtigde had moeten worden toegezonden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bezwaarprocedure tegen eerdere besluiten was afgesloten en dat er geen nauwe verwevenheid bestond die toezending aan de gemachtigde vereiste. Het besluit was correct aan appellant verzonden, de termijn voor bezwaar was verlopen en de termijnoverschrijding was niet verschoonbaar. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het UWV-besluit van 22 augustus 2011 is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.