ECLI:NL:RBDHA:2018:14779
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis asiel wegens onvoldoende identiteit en gezinsband
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis asiel, met als referent een persoon die een verblijfsvergunning asiel heeft. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser zijn identiteit en de feitelijke gezinsband met de referent niet aannemelijk heeft gemaakt. Het door eiser overgelegde document van de Welfare Society werd als onvoldoende indicatief beoordeeld en er waren tegenstrijdigheden in de verklaringen over het vertrek uit het land van herkomst.
Eiser stelde dat verweerder in strijd met het EVRM en het beginsel van hoor en wederhoor heeft gehandeld door hem geen inzage te geven in de asielminuut van de referent en voerde bewijsnood aan. De rechtbank oordeelde dat het nieuwe beleid van verweerder, dat primair officiële documenten eist en onofficiële documenten slechts als indicatie betrekt, correct werd toegepast. Er was geen bewijsnood en het verzoek tot inzage in de asielminuut werd afgewezen.
De rechtbank volgde verweerder in zijn standpunt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd van zijn identiteit en gezinsband en dat het beroep daarom ongegrond is. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis asiel wordt ongegrond verklaard.