Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling van het geschil
Kamerstukken IInr. 19 075, nrs. 1-3 p. 14-15 en
Handelingen II1986/87, p. 85 4303). De wetgever heeft voor ogen gestaan dat de beslissing op het gratieverzoek alleen kan afwijken van het rechterlijk advies als zich bijzondere omstandigheden voordoen. Aan de motivering van een dergelijke beslissing mogen strenge eisen worden gesteld (zie ECLI:NL:GHDHA:2016:952, r.o. 3.4 en 3.5 inzake [x] /de Staat).
bijzondere omstandighedenin de onder 4.3.2 bedoelde zin voordoen op grond waarvan in redelijkheid zou kunnen worden afgeweken van het advies van het Hof. In zijn advies is het Hof uitvoerig ingegaan op de door het OM aangevoerde omstandigheden op grond waarvan het OM stelt niet goed te kunnen inschatten of met het voortduren van de tenuitvoerlegging van de straf niet langer een redelijk doel is gediend zonder te beschikken over een (nieuw(e)) slachtofferonderzoek, impactanalyse en reclasseringsrapport. Het Hof acht zich - ook zonder de door het OM gewenste nadere informatie - voldoende geïnformeerd om tot een (unaniem) advies te komen. Het Hof geeft daarbij gemotiveerd en onder aanvoering van plausibele redenen aan dat een nieuw slachtoffer-/impactonderzoek niet aan de orde kan zijn, alsmede dat de vergeldingsbehoefte van (nabestaanden van) de slachtoffers niet doorslaggevend kan zijn voor de afweging in het kader van gratiëring. De Staat heeft een en ander niet (voldoende onderbouwd) weerlegd met relevante feiten en/of omstandigheden.