Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Beoordeling
bijzondere omstandighedenvoordoen. [10] Vervolgens luidt de in cassatie door de Staat bestreden overweging:
inhoudvan de op een gratieverzoek te nemen beslissing kan niet door de rechter worden voorgeschreven. Om die reden komen de primaire en de subsidiaire vordering van de veroordeelde niet in aanmerking voor toewijzing (rov. 23).
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
may rise an issue under Article 3”. [19] Het signaal is opgepakt: op 16 juni 2009 heeft de Hoge Raad, na een conclusie van de advocaat-generaal Knigge, dit vraagstuk besproken. Daarbij is onder meer aangegeven dat de nationale rechter niet zelf een wettelijke procedure tot stand kan brengen waarin, na ommekomst van een bepaald minimumaantal jaren in detentie, het voortzetten van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf wordt beoordeeld. [20] De Hoge Raad werkte uit aan welke vereisten zo’n regeling zou moeten voldoen en voegde hieraan toe:
a prospect of release on legitimate penological grounds”).
definitiefde tenuitvoerlegging van een straf beëindigt (met dien verstande dat een voorwaardelijke gratieverlening mogelijk is als tussenvorm). Er bestaat geen recht op het verlenen van gratie; wel een recht op bescherming tegen willekeur bij de beslissing op een gratieverzoek. De beslissing op een gratieverzoek mag niet in strijd zijn met het bepaalde in de wet en moet worden omkleed met redenen die deze beslissing kunnen dragen.
kande minister op grond van art. 5 lid 1 Gratiewet Pro inlichtingen inwinnen bij andere daarvoor in aanmerking komende autoriteiten, instellingen of personen. Bij een gratieverzoek dat betrekking heeft op een vonnis of arrest, gewezen door een meervoudige kamer of waarbij het O.M. de aantekening heeft geplaatst dat het wil adviseren over een eventueel gratieverzoek, stuurt de minister het gratieverzoek met een verslag van bevindingen ook voor advies naar het O.M. (zie art. 5 lid 4 Gratiewet Pro).
onderdeel 1van het middel van de Staat heeft het hof echter ten onrechte overwogen dat het bij deze ‘bijzondere omstandigheden’ moet gaan om (nieuwe) feiten en omstandigheden
waarmee het gerecht dat de straf heeft opgelegd in zijn advies geen rekening heeft gehouden. Om dezelfde reden acht de Staat rechtens onjuist de overweging van het hof dat indien van een ander standpunt wordt uitgegaan, de Kroon (in dit geval: de minister) zijn mening in plaats van die van het adviserende gerecht zou kunnen stellen,
hetgeen de wetgever niet heeft beoogd.
mogennemen in een bijzonder geval. Bovendien is die passage volgens de Staat gericht op de onwenselijkheid
van het tenietdoen van een opgelegde straf of maatregel. Bij
afwijzingvan een gratieverzoek in afwijking van het rechterlijk gratieadvies is van het tenietdoen van een opgelegde straf geen sprake.
afwijzingvan het gratieverzoek en de Kroon niettemin gratie wil verlenen, behoeft de toepassing van dit beginsel niet problematisch te zijn. In zo’n geval mag de Kroon geen gratie verlenen op de enkele grond dat de Kroon, bijvoorbeeld, het feit waarvoor de verdachte werd veroordeeld niet strafbaar acht of de door de rechter opgelegde straf te zwaar vindt: dan zou sprake zijn van afwijkend inzicht omtrent de strafrechtstoepassing. [43] Wanneer de afwijkende beslissing van de Kroon niet berust op een afwijkend inzicht omtrent de strafrechttoepassing, maar de Kroon gratie wil verlenen om de tenuitvoerlegging van de (wellicht in een ver verleden opgelegde) straf in overeenstemming te brengen met de eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid, behoeft de afwijking van het advies van de rechter weliswaar een deugdelijke motivering, maar is de afwijking wettelijk mogelijk. In de praktijk zal de motivering van zo’n gratiebesluit veelal betrekking hebben op (nieuwe) omstandigheden waarmee bij de strafoplegging en in het rechterlijk advies geen rekening is gehouden, maar strikt genomen is dit niet noodzakelijk.
toewijzingvan het gratieverzoek en de Kroon voornemens is gratie te weigeren, ligt het iets gecompliceerder. In deze situatie sluit het besluit tot weigering van gratie juist aan bij de straf zoals die oorspronkelijk door de strafrechter was opgelegd. Dan kan bezwaarlijk worden gesproken van een afwijkend inzicht van de Kroon omtrent de strafrechttoepassing. Het gaat in deze situatie niet om de vraag of ten tijde van het vonnis veroordeling voor een ander (zwaarder) strafbaar feit mogelijk zou zijn geweest, noch om de vraag of een zwaardere straf dan in het vonnis door de rechter is opgelegd mogelijk en naar het inzicht van de Kroon passender zou zijn geweest. Ook het middelonderdeel maakt dit onderscheid.
a prospect of release on legitimate penological grounds”). In de onderhavige zaak is, naar ik begrijp, geen sprake meer van een voortgezette feitelijke insluiting in een gevangenis of tbs-inrichting, maar van een detentieregime in de vorm van transmuraal verlof dat slechts onder bepaalde omstandigheden kan worden ingetrokken. [45] Het komt mij voor, dat het verschil van inzicht tussen de minister en de kamer van het gerechtshof die het gratieadvies heeft uitgebracht niet zozeer betrekking heeft op de straf die in 1985 is opgelegd, maar op de vraag of de eisen van rechtvaardigheid, humaniteit en doelmatigheid meebrengen dat ook deze vorm van tenuitvoerlegging wordt beëindigd. Ik heb in het bestreden arrest niet een duidelijk antwoord op die vraag gevonden.
subonderdeel 1.2bouwt slechts voort op de klachten van subonderdeel 1.1 en deelt het lot daarvan.
onderdeel 2richt de Staat drie klachten tegen rov. 20. In hoger beroep had de Staat, samengevat, aangevoerd dat zich (nieuwe) omstandigheden hebben voorgedaan die niet verdisconteerd waren in het hofadvies van 6 september 2018, maar wél bekend waren aan de minister toen hij besloot tot afwijzing van het gratieverzoek. Uit het evaluatierapport, op 13 september 2018 door de kliniek uitgebracht, heeft de Staat afgeleid dat ten aanzien van de veroordeelde in het daaraan voorafgaande jaar zich méér problemen hebben voorgedaan dan in eerdere jaren; het is zelfs nodig geweest, de veroordeelde tijdelijk terug te plaatsen in de kliniek.
nietaan het besluit tot afwijzing van het gratieverzoek ten grondslag is gelegd. De klacht faalt ook om een andere reden. In rov. 17 – in cassatie onbestreden – heeft het hof vooropgesteld dat het een terughoudende toets hanteert, die met name is gericht op de motivering van de beslissing op het gratieverzoek. Het gaat om de vraag of en, zo ja, in hoeverre, de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het gratieverzoek is afgewezen. Die benaderingswijze en de uitkomst dat het besluit ontoereikend is gemotiveerd zijn niet strijdig met de volgens het middelonderdeel in acht te nemen terughoudendheid. Om dezelfde reden behoefde het hof niet afzonderlijk in te gaan op iedere stelling van de Staat die op dat evaluatierapport was gebaseerd. Voor het overige is de redengeving niet onbegrijpelijk, zodat ook de subsidiaire motiveringsklacht van dit middelonderdeel faalt.
3.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
Subonderdeel 1.1klaagt dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat de Staat zelf zijn derde grief had aangemerkt als ‘veeggrief’. Om die reden had het hof de rechtsvraag of de burgerlijke rechter kan ingrijpen in de bevoegdheid van de minister om wel of niet tot een positieve beslissing over het gratieverzoek te komen, niet mogen betrekken in zijn beoordeling van de derde grief.