Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 maart 2018 in de zaak tussen
[eiser 1] , eiser,
[eiser 2]en
[eiser 3],
Rechtbank Den Haag
Eisers, een gezin uit Libië, vroegen asiel aan in Nederland, stellende dat zij vanwege hun werkzaamheden en persoonlijke omstandigheden in Libië bedreigd werden door milities en ontvoerd waren. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, wees de aanvragen af op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat onvoldoende bewijs werd geleverd voor persoonlijke vervolging of een uitzonderlijke veiligheidssituatie.
De rechtbank stelde vast dat de identiteit en nationaliteit van eisers geloofwaardig waren, evenals hun werkzaamheden bij een bank die mogelijk rekeningen opende voor milities. Echter, de verklaringen over ontvoering en bedreigingen werden niet aannemelijk geacht, mede omdat eiser zijn functie bleef uitoefenen en salaris ontving, en er onvoldoende bewijs was voor het causaliteitsverband met milities.
De rechtbank oordeelde dat de algemene veiligheidssituatie in Libië weliswaar verslechterd is, maar niet zodanig uitzonderlijk dat terugkeer onaanvaardbaar is volgens artikel 15c van de Definitierichtlijn. Ook werd geoordeeld dat de verwijdering van eisers geen schending van het verbod op refoulement oplevert. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvragen is ongegrond verklaard.