ECLI:NL:RVS:2016:2124
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende uitzonderlijke veiligheidssituatie in Benghazi, Libië
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. De centrale vraag is of de algemene veiligheidssituatie in Libië, en specifiek in Benghazi, zodanig slecht is dat terugkeer niet kan worden geëist.
De staatssecretaris stelt dat hoewel de veiligheidssituatie zorgelijk is door gewapende conflicten tussen milities, het geweld niet wijdverspreid en willekeurig genoeg is om een uitzonderlijke situatie in de zin van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 aan te nemen. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft dit standpunt onderschreven en gewezen op het ontbreken van een toename in het aantal dodelijke slachtoffers en het feit dat ontheemden elders in de stad onderdak vinden.
De vreemdeling voerde aan dat de situatie ernstig is, met willekeurig geweld, duizenden ontheemden en oproepen van de UNHCR om gedwongen uitzettingen op te schorten. Ook stelde hij dat de staatssecretaris een verzwaarde motiveringsplicht heeft vanwege afwijkende beoordeling ten opzichte van omringende landen. De Afdeling verwierp deze grieven en bevestigde dat het standpunt van de staatssecretaris zorgvuldig en gemotiveerd is.
De Afdeling concludeert dat de intrekking van de verblijfsvergunning terecht is en dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank Den Haag moet worden bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd omdat de veiligheidssituatie in Benghazi niet uitzonderlijk slecht is.