ECLI:NL:RBDHA:2020:1006
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning wegens onvoldoende medewerking aan terugkeer
Eiser, verblijvend zonder geldige verblijfstitel in Nederland, vroeg een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser geen positief zwaarwegend advies van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) had en onvoldoende meewerkte aan zijn terugkeer. Eiser betwistte dit en voerde aan dat hij actief meewerkte, dat hij uit Rwanda komt en dat zijn recht op privé- en familieleven wordt geschonden.
De rechtbank overwoog dat het buitenschuldbeleid vereist dat de vreemdeling serieuze pogingen moet hebben ondernomen om Nederland te verlaten. Verweerder had gemotiveerd dat DT&V het verzoek niet in behandeling nam vanwege de niet-meewerkende houding van eiser. Eiser gaf wisselende verklaringen over zijn nationaliteit en identiteit, en de taalanalyse wees op een Oegandees accent, wat eiser onvoldoende onderbouwde.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij actief zijn vertrek nastreefde, dat er redelijke twijfel bestond over zijn nationaliteit en dat hij niet meewerkte. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro werd verworpen wegens gebrek aan onderbouwing. Ook was het niet horen van eiser in de bezwaarprocedure niet in strijd met artikel 6 EVRM Pro. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor verblijfsvergunning buiten schuld niet kunnen vertrekken wordt afgewezen.