Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling van het geschil
5.De beslissing
€ 97,31 aan dagvaardingskosten, in voorkomende gevallen te vermeerderen met BTW;.
Rechtbank Den Haag
De eiser trad op 5 mei 2017 in dienst bij De Pier Horeca B.V. met een arbeidsovereenkomst voor één jaar. Na 9 juli 2017 verrichtte eiser geen werkzaamheden meer, waarna De Pier stelde dat de arbeidsovereenkomst was beëindigd per 31 juli 2017. Eiser betwistte dit en vorderde doorbetaling van loon vanaf 1 augustus 2017.
De rechtbank oordeelde dat de opzegging door De Pier niet rechtsgeldig was omdat geen schriftelijke instemming van eiser was gegeven, zoals vereist op grond van artikel 7:671 BW Pro. Ook was er geen geldige vaststellingsovereenkomst, omdat eiser deze niet had ondertekend. De arbeidsovereenkomst bleef daardoor voortduren.
De Pier moest daarom het loon blijven betalen, ondanks het feit dat eiser de arbeid niet verrichtte, omdat eiser zich bereid had verklaard te werken zodra hij hiertoe in staat was en de ziekmelding terecht was. De Pier mocht het loon wel verminderen met inkomsten van ander werk, maar dit kon niet worden vastgesteld in deze procedure.
De rechtbank matigde de wettelijke verhoging van het loon tot 10% vanwege de korte duur van het dienstverband en de onduidelijkheid over beëindiging. De Pier werd veroordeeld tot doorbetaling van het loon met wettelijke rente en een verhoging van 10%, en tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is niet rechtsgeldig beëindigd, De Pier moet loon met wettelijke verhoging en rente doorbetalen.