ECLI:NL:RBDHA:2018:3986
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs familieband en twijfel aan terugkeer
Eiser, van Afghaanse nationaliteit, verzocht om een visum kort verblijf voor familiebezoek in Nederland. De aanvraag werd door de Minister van Buitenlandse Zaken afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond en het voornemen van eiser om Nederland tijdig te verlaten niet kon worden vastgesteld.
Eiser stelde dat hij de familieband met zijn zus en zwager had aangetoond met onder meer een uitnodiging, garantstelling en een kopie van het identiteitsbewijs van zijn zus. De rechtbank oordeelde echter dat deze bewijsstukken onvoldoende en niet objectief waren, en dat eiser in de bestuurlijke fase geen aanvullende bewijsstukken had geleverd.
Daarnaast was er twijfel over de sociale en economische binding van eiser met Afghanistan, waardoor niet kon worden aangenomen dat hij zou terugkeren. Eiser had geen sterke familieverplichtingen of een stabiele baan aangetoond. Ook het bezwaar tegen het niet horen van eiser werd verworpen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.