ECLI:NL:RBDHA:2018:4836
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende duurzame middelen ondanks individuele beoordeling
De zaak betreft een beroep tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af te wijzen. De aanvraag was gedaan ten behoeve van de echtgenoot van een Nederlandse referent die recentelijk haar lesbevoegdheid had behaald. De staatssecretaris stelde dat de referent niet duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan beschikte, omdat zij geen arbeidsovereenkomst had die voor minimaal zes maanden gegarandeerd was en niet voldeed aan het duurzaamheidsvereiste.
Eiser voerde aan dat de staatssecretaris onvoldoende individuele beoordeling had verricht en het evenredigheidsbeginsel niet had toegepast, verwijzend naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en de Afdeling bestuursrechtspraak. Ook stelde eiser dat het besluit in strijd was met het recht op gezinsleven zoals neergelegd in het EVRM en het Handvest van de EU. De rechtbank overwoog dat de staatssecretaris wel degelijk een individuele beoordeling had gemaakt en dat het duurzaamheidsvereiste terecht was toegepast. De omstandigheden van het geval, waaronder het ontbreken van een vaste aanstelling en het ontbreken van concrete aanwijzingen over het functioneren van de referent, rechtvaardigden de afwijzing.
Verder oordeelde de rechtbank dat de belangenafweging tussen het gezinsleven en het vreemdelingenbeleid zorgvuldig was gemaakt en dat er geen objectieve belemmeringen waren om het gezinsleven in het land van herkomst te voeren. Het beroep op het niet horen van eiser in bezwaar faalde omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Een verzoek tot heropening van het onderzoek op basis van een nieuwe arbeidsovereenkomst werd afgewezen omdat het onderzoek ten tijde van de zitting volledig was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende duurzame middelen van bestaan.