ECLI:NL:RBDHA:2018:5225
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis wegens termijnoverschrijding
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis af te wijzen. De aanvraag was ingediend op 12 mei 2016, terwijl de wettelijke termijn drie maanden na het verlenen van de verblijfsvergunning aan de referent op 13 januari 2016 was verstreken.
Eiseres voerde aan dat de termijnoverschrijding te wijten was aan onjuiste voorlichting en omstandigheden rondom de aanvraag, waaronder het analfabetisme van de referent en het ontbreken van juiste informatie. Tevens stelde zij dat de wettelijke termijn niet in overeenstemming zou zijn met de Gezinsherenigingsrichtlijn en dat zij ten onrechte niet was gehoord op haar bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris de omstandigheden wel had betrokken en dat de termijnoverschrijding voor rekening van eiseres kwam, mede omdat geen bewijs was geleverd dat de overschrijding aan onjuiste voorlichting te wijten was. De mogelijke toekomstige verlenging van de termijn was niet relevant. Ook de prejudiciële vragen over de richtlijn leidden niet tot een ander oordeel, mede omdat eiseres gebruik kan maken van de reguliere gezinsherenigingsprocedure.
De rechtbank concludeerde dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat het beroep ongegrond moest worden verklaard. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wegens termijnoverschrijding wordt ongegrond verklaard.