Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.Verzoek tot schorsing van de vervolging ex artikel 16 van Pro het Wetboek van
Strafvordering
Hierna is opnieuw om schorsing van de vervolging verzocht. Op dat verzoek heeft de rechtbank op 21 december 2017 beslist. Het verzoek is wederom afgewezen. De rechtbank verwees in de beslissing van 21 december 2017 naar haar beslissing van 13 juni 2017 en overwoog voorts als volgt:
4.Geldigheid van de dagvaarding betreffende het tenlastegelegde feit 1
5.Bewijsoverwegingen
:
degene die zijn bedrijf maakt van het verlenen van betaaldiensten.
bedrijfswerkzaamheid als bedoeld in de bijlage bij de richtlijn betaaldiensten.
€ 59.900,- heeft gegeven, hetgeen is aan te merken als een Hawala-transactie.
– middels een man in Utrecht – om naar Iran over te maken. Ook had hij verdachte € 330,- betaald voor provisie. Het geldbedrag van € 11.500,- was ook aangekomen in Iran. [23]
18 januari 2013tot en met
31 oktober 2014, te Den Haag en/of elders in Nederland en/of te Teheran, althans in Iran, telkens opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 van Pro de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 1 lid 1 van Pro de Sanctieregeling Iran 2012 juncto artikel 30bis van Verordening (EG) nr. 1263/2012 van de Raad van de Europese Unie van 21 december 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran, meermalen een geldbedrag van 10.000 euro of meer heeft overgemaakt van en/of naar een Iraans persoon, zonder deze op voorhand schriftelijk te melden bij de bevoegde autoriteit, te weten:
10euro en
18 januari 2013tot en met
31 oktober 2014, te Den Haag en/of elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandsche Bank het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het Financieel Toezicht,
10euro en
6.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
- hetgeen volgens vaste jurisprudentie niet mogelijk is - zal de rechtbank het verweer zo interpreteren dat dit ook gericht is tegen de strafbaarheid van het feit.