ECLI:NL:RBDHA:2018:661
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overdrachtsbesluiten aan Oostenrijk op grond van Dublinverordening en Awb
Eisers, beiden van Colombiaanse nationaliteit, zijn door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid medegedeeld dat zij aan Oostenrijk zullen worden overgedragen op grond van de Dublinverordening. Tegen deze overdrachtsbesluiten hebben zij beroep ingesteld. Eisers stelden dat de besluiten in strijd zijn met de Dublinverordening en de Vreemdelingenwet 2000 omdat geen termijn is gesteld voor vrijwillige medewerking aan overdracht.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht de overdracht via het vliegveld van Wenen heeft geregeld en dat eisers daarom niet zelf de overdracht kunnen organiseren. De beroepsgrond faalt. Eisers voerden tevens aan dat het verdedigingsbeginsel is geschonden omdat zij en hun gemachtigde niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze te geven op het voornemen tot overdracht.
De rechtbank bevestigt dat dit een schending van het verdedigingsbeginsel inhoudt, omdat de gemachtigde niet is geïnformeerd. Desalniettemin wordt dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd, omdat het niet aannemelijk is dat een zienswijze tot een andere uitkomst had geleid, nu Oostenrijk onbetwist verantwoordelijk is voor de asielaanvragen.
De beroepen worden ongegrond verklaard, maar de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eisers. De uitspraak is gedaan door rechter M.S.T. Belt en griffier F.E.M. Rosmalen.
Uitkomst: De beroepen tegen de overdrachtsbesluiten aan Oostenrijk worden ongegrond verklaard, ondanks schending van het verdedigingsbeginsel.