Eiser, werkzaam sinds 1976 bij verweerder, werd geconfronteerd met een klacht over grensoverschrijdend en seksueel intimiderend gedrag jegens een vrouwelijke collega. Na een onderzoek werd hem onvoorwaardelijk ontslag opgelegd, subsidiair voorwaardelijk ontslag met overplaatsing. Eiser stelde het onderzoek onzorgvuldig en vooringenomen te vinden en voerde aan dat hij zich niet seksueel intimiderend had gedragen.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek formele tekortkomingen kende, zoals het niet direct informeren van eiser over de klacht en het ontbreken van hoor en wederhoor. Desondanks vond de rechtbank voldoende bewijs voor grensoverschrijdend gedrag en seksuele intimidatie, waaronder intieme WhatsApp-berichten, ongewenste aanrakingen en een seksuele opmerking op een congres.
De rechtbank stelde vast dat het onvoorwaardelijk ontslag onevenredig was gezien de lange staat van dienst en het ontbreken van eerdere disciplinaire maatregelen. Ook was de wijziging van de ontslaggrond tijdens de bezwaarprocedure onvoldoende gemotiveerd en niet aan eiser voorgelegd. De overplaatsing naar een niet-leidinggevende functie werd echter niet passend geacht vanwege het gebrek aan overtuiging dat eiser de ernst van zijn gedrag inziet.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en voorzag zelf in de zaak door het onvoorwaardelijk ontslag te herroepen en het subsidiaire voorwaardelijk ontslag met overplaatsing in stand te laten. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.