ECLI:NL:RBDHA:2018:736
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vrijgesteld inkomen bij vaststelling algemene heffingskorting
Eiser, werkzaam in loondienst bij een internationale organisatie, ontving in 2015 een salaris dat op grond van een internationaal protocol vrijgesteld is van Nederlandse belastingheffing. Bij de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor 2015 heeft de Belastingdienst de algemene heffingskorting vastgesteld zonder rekening te houden met dit vrijgestelde salaris, wat leidde tot een lagere heffingskorting dan door eiser opgegeven.
De kern van het geschil betrof de vraag of het vrijgestelde salaris moet worden meegenomen bij de berekening van de algemene heffingskorting volgens artikel 8.10 van de Wet IB 2001. De rechtbank verwijst naar een arrest van de Hoge Raad waarin is bepaald dat een dergelijke vrijstelling niet zo ruim mag worden uitgelegd dat het inkomen buiten beschouwing blijft bij het vaststellen van de draagkracht voor persoonsgebonden aftrekposten.
De rechtbank concludeert dat de Belastingdienst terecht het vrijgestelde salaris heeft betrokken bij de berekening van de algemene heffingskorting. Het subsidiaire standpunt van eiser dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, wordt eveneens verworpen omdat geen ongelijke behandeling is vastgesteld ten opzichte van andere belastingplichtigen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter R.C.H.M. Lips op 25 januari 2018.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het vrijgestelde salaris wordt meegenomen bij de berekening van de algemene heffingskorting.