ECLI:NL:RBDHA:2018:736

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 januari 2018
Publicatiedatum
25 januari 2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5517
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.10 Wet IB 2001Art. 12 Protocol Nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van vrijgesteld inkomen bij vaststelling algemene heffingskorting

Eiser, werkzaam in loondienst bij een internationale organisatie, ontving in 2015 een salaris dat op grond van een internationaal protocol vrijgesteld is van Nederlandse belastingheffing. Bij de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor 2015 heeft de Belastingdienst de algemene heffingskorting vastgesteld zonder rekening te houden met dit vrijgestelde salaris, wat leidde tot een lagere heffingskorting dan door eiser opgegeven.

De kern van het geschil betrof de vraag of het vrijgestelde salaris moet worden meegenomen bij de berekening van de algemene heffingskorting volgens artikel 8.10 van de Wet IB 2001. De rechtbank verwijst naar een arrest van de Hoge Raad waarin is bepaald dat een dergelijke vrijstelling niet zo ruim mag worden uitgelegd dat het inkomen buiten beschouwing blijft bij het vaststellen van de draagkracht voor persoonsgebonden aftrekposten.

De rechtbank concludeert dat de Belastingdienst terecht het vrijgestelde salaris heeft betrokken bij de berekening van de algemene heffingskorting. Het subsidiaire standpunt van eiser dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, wordt eveneens verworpen omdat geen ongelijke behandeling is vastgesteld ten opzichte van andere belastingplichtigen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter R.C.H.M. Lips op 25 januari 2018.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het vrijgestelde salaris wordt meegenomen bij de berekening van de algemene heffingskorting.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 17/5517

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

25 januari 2018 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser(gemachtigde: J. Stelpstra),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 27 juni 2017 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2015 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2018.
Namens eiser zijn ter zitting verschenen zijn gemachtigde en [persoon 1].
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 2],
[persoon 3] en [persoon 4].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser is in loondienst werkzaam voor het [bedrijf] ([bedrijf]) te [plaats] in [land]. Eiser heeft van deze organisatie in 2015 een salaris genoten van € 95.331. Dit salaris is op grond van artikel 12 van Pro het Protocol (Nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, C326/1 (het Protocol) vrijgesteld van Nederlandse belastingheffing.
2. In zijn aangifte IB/PVV 2015 heeft eiser aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.663. De algemene heffingskorting is daarbij berekend naar een bedrag van € 2.203.
3. Verweerder is bij het opleggen van de aanslag afgeweken van de ingediende aangifte. De algemene heffingskorting is daarbij vastgesteld op € 1.342.
4. Tussen partijen is in geschil of bij de berekening van de algemene heffingskorting, als bedoeld in artikel 8.10, tweede lid, van de Wet IB 2001, rekening moet worden gehouden met het door eiser genoten salaris van [bedrijf].
5. Op grond van artikel 8.10, eerste lid, van de Wet IB 2001mgeldt de algemene heffingskorting geldt voor iedere belastingplichtige. Volgens het tweede lid van dit artikel bedraagt de algemene heffingskorting € 2.203, verminderd met 2,32% van het gedeelte van het belastbare inkomen uit werk en woning dat meer bedraagt dan € 19.822, met dien verstande dat de vermindering ten hoogste € 861 bedraagt.
6. Op grond van artikel 12 van Pro het Protocol worden de ambtenaren en overige personeelsleden van de Unie onderworpen aan een belasting ten bate van de Unie op de door haar betaalde salarissen, lonen en emolumenten. Zij zijn vrijgesteld van nationale belastingen op de door de Unie betaalde salarissen, lonen en emolumenten.
7. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2997 heeft geoordeeld dat een vrijstelling op grond van een internationale regeling als hier bedoeld, niet zo ruim moet worden uitgelegd, dat de daarin bedoelde salarissen en emolumenten ook buiten aanmerking dienen te blijven in een geval waarin de draagkracht dient te worden vastgesteld met het oog op een persoonsgebonden aftrek, die in mindering komt op de belasting die is verschuldigd over het overige inkomsten, waarop de vrijstelling niet van toepassing is. Toegepast op het onderhavige geval leidt dit ertoe dat verweerder rekening mocht houden met het door eiser van [bedrijf] genoten salaris bij de vaststelling van de omvang van de algemene heffingskorting. Het andersluidende standpunt van eiser berust op een onjuiste rechtsopvatting.
8. Eisers subsidiaire standpunt ziet op schending van het gelijkheidsbeginsel. Eiser heeft gesteld dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden nu de vermindering van de algemene heffingskorting in de door verweerder voorgestane zin tot gevolg heeft dat eiser zwaarder wordt belast over zijn overige inkomsten.
9. Naar het oordeel van de rechtbank is het gelijkheidsbeginsel niet geschonden.
Niet is gebleken dat eiser ten aanzien van zijn overige niet van [bedrijf] genoten inkomen zwaarder wordt belast dan belastingplichtigen die dezelfde overige inkomsten genieten en daarnaast niet een van belasting vrijgesteld salaris van [bedrijf] genieten.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen is beroep ongegrond verklaard.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J.P. Nevens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.