Eiser, een Angolese man die sinds 2001 in Nederland verblijft, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van de discretionaire bevoegdheid vanwege schrijnende omstandigheden. De staatssecretaris wees dit verzoek af, waarna eiser bezwaar maakte en beroep instelde. De rechtbank stelde vast dat verweerder geen vast beleid heeft voor de toepassing van de discretionaire bevoegdheid en dat de richtsnoerenbrief uit 2007 met bijlage slechts leidraad is voor aanvragen vóór 18 maart 2005.
De rechtbank concludeerde dat verweerder bij aanvragen na deze datum een individuele beoordeling hanteert op basis van een praktijkdocument met een niet-limitatieve lijst van factoren en contra-indicaties. Hoewel eiser stelde dat er sprake was van een vaste gedragslijn met vaste weging van factoren, werd dit niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende waarborgen heeft ingebouwd om willekeur te voorkomen, mits motivering helder en inzichtelijk is.
Eiser voerde verder aan dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat vergelijkbare gevallen anders werden beoordeeld. De rechtbank oordeelde dat de individuele aard van de beoordeling de lat voor gelijkheid hoog legt en dat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat er sprake was van gelijke gevallen. Wel was er sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, dat in het verweerschrift werd hersteld.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, liet de rechtsgevolgen daarvan in stand en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens veroordeelde zij verweerder in de proceskosten van eiser.