ECLI:NL:RVS:2011:BP5932
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat minister terecht mvv-vereiste toepast bij schrijnendheidsbeoordeling na 18 maart 2005
De zaak betreft het hoger beroep van de minister van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die het besluit van de minister tot afwijzing van verblijfsvergunningen aan vreemdelingen en hun minderjarige kinderen vernietigde. De vreemdelingen hadden een beroep gedaan op schrijnende omstandigheden om vrijstelling van het mvv-vereiste te verkrijgen.
De Raad van State overweegt dat het beoordelingskader uit de brief van 21 februari 2007 uitsluitend geldt voor aanvragen vóór 18 maart 2005. Voor aanvragen na die datum geldt het vigerende beleid, waarbij het mvv-vereiste onverkort geldt en schrijnende omstandigheden alleen in het kader van de hardheidsclausule worden betrokken. De minister heeft dit beleid correct toegepast en de schrijnendheid van de situatie van de vreemdelingen rechtvaardigt geen vrijstelling.
Verder is geoordeeld dat de belangen van de minderjarige kinderen voldoende zijn meegewogen en dat het recht op privéleven uit het EVRM niet is geschonden omdat de vreemdelingen nooit een geldige verblijfstitel hadden en bewust in Nederland verbleven zonder daartoe gerechtigd te zijn.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de beroepen van de vreemdelingen ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en de beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard.