ECLI:NL:RVS:2006:AZ5171
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R.W.L. Loeb
- M. Vlasblom
- Rechtspraak.nl
Beoordeling discretionaire bevoegdheid minister bij schrijnend geval vreemdeling
De vreemdeling heeft zich in 2003 aangemeld als schrijnend geval bij de minister van Vreemdelingenzaken. De minister wees het verzoek in 2005 af zonder voldoende motivering, waarna de rechtbank in 2006 het besluit vernietigde en een nieuw besluit beval. De minister ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad van State oordeelt dat de minister discretionaire bevoegdheid heeft om in schrijnende gevallen een verblijfsvergunning te verlenen, maar dat bij afwijzing van een verzoek wel inzicht moet worden gegeven in de motieven. De minister heeft dit nagelaten door niet te onderbouwen waarom de omstandigheden van de vreemdeling niet als schrijnend zijn aangemerkt, noch door vergelijking met soortgelijke gevallen.
De Raad bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd en verklaart het hoger beroep ongegrond. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd wegens onvoldoende motivering van het besluit.