ECLI:NL:RBDHA:2018:840
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- T. Sleeswijk Visser-de Boer
- M. Soffers
- I.J.K. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning en oplegging inreisverbod wegens ernstige strafbare feiten en bedreiging openbare orde
Eiser, sinds 1982 rechtmatig in Nederland verblijvend, kreeg in 2016 een besluit tot intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier onbepaalde tijd met terugwerkende kracht en een inreisverbod van tien jaar opgelegd vanwege meerdere onherroepelijke veroordelingen voor ernstige misdrijven, waaronder ontucht met minderjarige, diefstal, geweldpleging en rijden onder invloed.
De rechtbank oordeelt dat de intrekking en het inreisverbod terecht zijn opgelegd op grond van de vanaf 1 juli 2012 geldende aangescherpte glijdende schaal, omdat eiser ook na die datum strafbare feiten pleegde. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde.
Eiser voerde aan dat hij sinds zijn jeugd in Nederland woont, familie heeft en medische problemen kent, en dat het besluit in strijd is met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel en artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank weegt deze belangen af en concludeert dat de maatschappelijke belangen en de ernst van de feiten zwaarder wegen dan de persoonlijke omstandigheden van eiser.
De rechtbank stelt vast dat het inreisverbod betekent dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben zolang dit geldt. De belangenafweging is zorgvuldig en voldoet aan de vereisten van het EVRM en jurisprudentie. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.