ECLI:NL:RBDHA:2018:968
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.J.L. van der Waals
- T. Sleeswijk Visser-de Boer
- I.J.K. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd wegens onvoldoende motivering
Eiser, een vluchteling uit voormalig Joegoslavië, kreeg in 1995 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Verweerder trok deze vergunning met terugwerkende kracht in per 25 december 2013, stellende dat de vluchtelingenstatus niet meer actueel was en dat eiser geen reëel risico op ernstige schade liep bij terugkeer. Verweerder baseerde de intrekking op artikel 35 van Pro de Vreemdelingenwet en de glijdende schaal uit het Vreemdelingenbesluit, zonder toepassing van de Kwalificatierichtlijn.
De rechtbank oordeelt dat de intrekking van de verblijfsvergunning ook de intrekking van de vluchtelingenstatus inhoudt, waardoor artikel 14 van Pro de Kwalificatierichtlijn van toepassing is. Dit vereist dat verweerder beoordeelt of eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de samenleving. Deze beoordeling ontbrak in het bestreden besluit, waardoor de motivering onvoldoende is.
De rechtbank wijst ook op het feit dat het verzoek om internationale bescherming van eiser dateert van vóór de inwerkingtreding van de Kwalificatierichtlijn, waardoor de intrekking niet kan worden gebaseerd op het vervallen van de grond voor verlening. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder veroordeeld in de proceskosten van €1002,-.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning asiel onbepaalde tijd wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.