ECLI:NL:RBDHA:2019:10049
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding met toekenning beëindigingsvergoeding
De werkgever heeft bij de kantonrechter verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, waarbij herplaatsing niet mogelijk is. De werknemer heeft tegen het verzoek verzet aangetekend, maar erkent dat de arbeidsverhouding zodanig verstoord is dat voortzetting redelijkerwijs niet van de werkgever kan worden verlangd.
Partijen zijn het eens dat geen van beiden een verwijt treft en dat herplaatsing niet mogelijk is. De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond voor ontbinding is conform artikel 7:671b lid 1 sub a juncto artikel 7:669 lid 3 sub g BW Pro. Er zijn geen opzegverboden van toepassing.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met ingang van 1 november 2019, rekening houdend met de opzegtermijn en duur van de procedure. Tevens wordt de werkgever veroordeeld tot betaling van een bruto beëindigingsvergoeding van €10.592 aan de werknemer. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 november 2019 met toekenning van een beëindigingsvergoeding van €10.592 aan de werknemer.