ECLI:NL:RBDHA:2019:10053
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Inreisverbod niet in strijd met het Aanvullend Protocol bij beëindigde verblijfsprocedure zelfstandige
Eiser, met de Turkse nationaliteit, had twee aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel arbeid als zelfstandige ingediend, die beide door verweerder zijn afgewezen en waarvan de eerste afwijzing in rechte vaststaat. Vervolgens heeft verweerder op grond van de Vreemdelingenwet 2000 een inreisverbod van twee jaar aan eiser opgelegd vanwege het niet voldoen aan een terugkeerverplichting.
Eiser stelde dat het inreisverbod niet had mogen worden opgelegd omdat de verblijfsrechtelijke procedure nog zou lopen en het inreisverbod daarmee in strijd zou zijn met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. Tevens voerde eiser aan dat verweerder zijn belangen niet had meegewogen, waardoor hij zijn onderneming niet meer kan voortzetten.
De rechtbank oordeelde dat de verblijfsprocedure niet meer loopt, aangezien de eerdere afwijzingen in rechte vaststaan. Het inreisverbod vormt geen verboden beperking volgens het Aanvullend Protocol. Daarnaast heeft eiser nagelaten een zienswijze in te dienen tegen het voornemen tot oplegging van het inreisverbod, waardoor verweerder niet verplicht was zijn belangen mee te wegen.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod blijft van kracht.