ECLI:NL:RVS:2016:2121
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid beëindiging verblijfsrecht en inreisverbod vreemdeling met Turkse nationaliteit
De vreemdeling met de Turkse nationaliteit werd in 2003 toegelaten tot Nederland met een verblijfsvergunning die in 2008 werd omgezet in een vergunning voor onbepaalde tijd. Na een onherroepelijke veroordeling in 2013 tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens poging tot moord, beëindigde de staatssecretaris zijn verblijfsrecht en legde een inreisverbod van tien jaar op.
De rechtbank had het besluit van 5 augustus 2014 gedeeltelijk vernietigd vanwege strijd met de standstillclausule uit besluit nr. 1/80, zonder de rechtmatigheid van het beëindigen van het verblijfsrecht te beoordelen. De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer had, waardoor de standstillclausule niet van toepassing was.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de rechtmatigheid van het beëindigen van het verblijfsrecht niet had betrokken. De staatssecretaris had voldoende gemotiveerd dat de vreemdeling een actuele en ernstige bedreiging vormde, mede gelet op zijn gedrag, psychologisch onderzoek en eerdere veroordeling. Het beroep van de vreemdeling op het standstillbeginsel faalde.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde de beroepen ongegrond, waarmee het besluit van de staatssecretaris tot beëindiging van het verblijfsrecht en oplegging van het inreisverbod stand hield.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de beroepen van de vreemdeling ongegrond verklaard.