ECLI:NL:RBDHA:2019:10485
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wegens verbroken gezinsband en belangenafweging
Eiseres, een jongvolwassene met Syrische nationaliteit, en haar twee minderjarige kinderen hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij familie en gezin. De rechtbank stelt vast dat de gezinsband tussen de dochter en haar vader (referent) is verbroken vanwege haar huwelijk, zelfstandige gezin en financiële onafhankelijkheid. Er is geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie die gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro beschermt.
Ten aanzien van de kleinkinderen erkent de rechtbank dat er sprake is van beschermenswaardig gezinsleven met de referent, maar oordeelt dat de belangenafweging door de staatssecretaris correct is gemaakt. Hierbij is meegewogen dat de kinderen tot het kerngezin van hun moeder behoren, dat er geen objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven in Turkije voort te zetten, en dat het economisch belang van Nederland bij een restrictief toelatingsbeleid zwaar weegt.
De rechtbank concludeert dat de afwijzing van de verblijfsvergunningen niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. De beroepen worden ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de verblijfsaanvragen worden ongegrond verklaard wegens verbroken gezinsband en een juiste belangenafweging.