ECLI:NL:RVS:2010:BL9912
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- T.M.A. Claessens
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering machtiging voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging en mvv-vereiste
De vreemdeling verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om zich bij haar in Nederland verblijvende kinderen te voegen. De minister wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde deze beslissing, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat artikel 8 EVRM Pro het recht op gezinsleven beschermt, maar geen algemene verplichting inhoudt voor een staat om de domiciliekeuze van gezinsleden te eerbiedigen. De kinderen, die de Nederlandse nationaliteit bezitten, hebben recht op verblijf en scholing in Nederland, maar dit recht weegt niet altijd zwaarder dan het algemeen belang bij een restrictief toelatingsbeleid.
De vreemdeling had in 2004 de keuze gemaakt om de kinderen zonder haar naar Nederland te laten vertrekken, zonder uitzicht op haar eigen toelating. De gevolgen hiervan waren redelijkerwijs voorzienbaar. De minister stelde de vreemdeling jaarlijks in de gelegenheid om gedurende drie maanden het gezinsleven met de kinderen in Nederland te onderhouden. De Raad van State concludeerde dat de belangenafweging ('fair balance') tussen het belang van de vreemdeling en kinderen en het algemeen belang juist was gemaakt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de machtiging tot voorlopig verblijf en verklaart het hoger beroep ongegrond.