ECLI:NL:RBDHA:2019:10805
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens niet aannemelijke pleegouder-kindrelatie
Eiser, een staatloos minderjarige geboren in 2012, verzocht om een machtiging voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn pleegmoeder in Nederland te verblijven. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af omdat de pleegouder-kindrelatie niet aannemelijk werd geacht vanwege tegenstrijdige verklaringen van de pleegmoeder en de referent, die beweerde de oom van eiser te zijn.
De rechtbank stelde vast dat eiser geen bewijsstukken over zijn familierelatie had overgelegd en dat de inconsistenties in verklaringen over het overlijden of vermissing van de biologische ouders onvoldoende waren weerlegd. Juridische argumenten van eiser over toepassing van artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro werden verworpen omdat deze niet van toepassing zijn in de nareisprocedure.
Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het bezwaar geen nieuwe feiten bevatte die tot een ander besluit konden leiden. De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris terecht de aanvraag had afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende aannemelijkheid van de pleegouder-kindrelatie.