ECLI:NL:RBDHA:2019:10974
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing verblijfsvergunning bij partner en vader
Verzoekers, van Angolese nationaliteit, vroegen om een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel verblijf bij partner respectievelijk vader. De staatssecretaris wees deze aanvragen af omdat verzoekers niet beschikten over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet voldeden aan de voorwaarden voor vrijstelling daarvan. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de familierechtelijke band tussen de kinderen en de referent niet voldoende was aangetoond omdat de overgelegde geboorteaktes niet gelegaliseerd waren. Hierdoor konden de kinderen geen beroep doen op vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 EVRM Pro. Ook voor verzoekster was geen sprake van een schending van artikel 8 EVRM Pro die vrijstelling zou rechtvaardigen.
Verder was er geen reden om de hardheidsclausule toe te passen, aangezien verzoekers onvoldoende bijzondere persoonlijke omstandigheden hadden aangetoond die het onevenredig bezwarend zouden maken om vast te houden aan het mvv-vereiste. Medische redenen om de overdracht aan Portugal te weigeren waren niet aannemelijk gemaakt. Gezien deze overwegingen had het bezwaar geen redelijke kans van slagen en werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning werd afgewezen.