ECLI:NL:RBDHA:2019:12059

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 oktober 2019
Publicatiedatum
14 november 2019
Zaaknummer
8031711 CV19-4223
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening over partnerstatus werknemer in verzuimverzekering

In deze kortgedingprocedure vordert [naam onderneming] betaling van een bedrag van €14.167,59 van verzekeraar Goudse Schadeverzekeringen wegens niet-betaalde uitkeringen op een verzuimverzekering voor een werknemer, mevrouw [naam 1]. De kern van het geschil betreft de vraag of mevrouw [naam 1] als partner van de DGA of eigenaar van de vennootschap moet worden beschouwd, wat gevolgen heeft voor de dekking van de verzekering.

De verzekering werd aangevraagd met de verklaring dat de werknemer geen partner of familie van de DGA was. Na een ziekmelding en uitkeringen in april en mei 2019 stopte Goudse de betalingen vanwege vermoedens van niet-nakoming van de mededelingsplicht. De kantonrechter stelt vast dat mevrouw [naam 1] een affectieve relatie heeft met de indirect bestuurder en aandeelhouder van de onderneming en dat zij als partner in de zin van de polis moet worden aangemerkt, ondanks het ontbreken van huwelijk of geregistreerd partnerschap.

Goudse heeft voldoende onderbouwd dat zij de verzekering niet zou hebben afgesloten indien zij de werkelijke relatie had gekend. De kantonrechter concludeert dat onvoldoende aannemelijk is dat de vordering in een bodemprocedure zal slagen en wijst de voorlopige voorziening af. [naam onderneming] wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De gevraagde voorlopige voorziening wordt afgewezen en de eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Zittingsplaats Gouda
PF
Zaaknummer 8031711/ CV EXPL 19-4223
VONNIS in kort geding van de kantonrechter d.d. 24 oktober in de zaak:
[naam onderneming] Management & Investment B.V.,
te [woonplaats] ,
eisende partij bij dagvaarding ex art. 254 Rv Pro.,
gemachtigde: gerechtsdeurwaarder K.W.A. van der Meer,
tegen
Goudse Schadeverzekeringen N.V.,
te Gouda,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. W.E. Noordhoorn Boelen.
Partijen worden hierna aangeduid als “ [naam onderneming] ” en “Goudse”.

1.Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de dagvaarding d.d. 27 september 2019.
Op 7 oktober 2019 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben partijen producties toegezonden. De gemachtigde van Goudse heeft pleitnotities overgelegd.
2. Feiten
De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.
2.1 Op 27 februari 2019 heeft [naam onderneming] middels haar tussenpersoon een zogeheten Verzuimverzekering Eigen Risico digitaal bij Goudse aangevraagd. [naam onderneming] wenste één werknemer te verzekeren, mevrouw [naam 1] .
2.2 Bij die aanvraag is de vraag gesteld of de te verzekeren werknemer de partner of familie is van de DGA of eigenaar. Deze vraag is met ‘nee’ beantwoord.
Voorts is ook de vraag gesteld: “Klopt het dat er geen werknemer is die partner of familie is van de DGA of eigenaar?” Deze vraag is met ‘ja’ beantwoord.
2.3 Op 7 maart 2019 is de verzekering tot stand gekomen.
2.4 Op 8 april 2019 heeft [naam onderneming] een beroep op de verzekering gedaan naar aanleiding van een ziekmelding van mevrouw [naam 1] , die op 7 maart 2019 bij [naam onderneming] in dienst was getreden.
2.5 Goudse heeft voor de maanden april en mei 2019 aan [naam onderneming] een uitkering gedaan onder de verzekering. Daarna heeft zij, ondanks aanmaningen, niet meer betaald.
2.6 Goudse heeft nadat [naam onderneming] een beroep had gedaan op de verzekering aanleiding gezien om een nader onderzoek te doen. Gelet op het nader onderzoek heeft zij contact opgenomen met de tussenpersoon en vervolgens aan [naam onderneming] haar vermoedens voorgelegd dat [naam onderneming] de mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekering niet was nagekomen. [naam onderneming] heeft op de desbetreffende brief van Goudse gereageerd en bestreden dat zij niet aan haar mededelingsplicht had voldaan.
Bij wege van voorlopige voorziening;
de kantonrechter:
- weigert de gevraagde voorziening;
- veroordeelt [naam onderneming] in de proceskosten, aan de zijde van Goudse tot heden begroot op € 720,00 voor salaris van de gemachtigde van Goudse en vermeerderd met de wettelijke rente, ingaande de 15e dag na de datum van betekening en bevel van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;
- verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P.M. Frinking en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 oktober 2019.