ECLI:NL:RBDHA:2019:12129
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nareisaanvraag na naturalisatie van referent
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de afwijzing van een nareisaanvraag voor de dochter van eiser, waarbij verweerder het bezwaar ongegrond verklaarde. De dochter is Somalisch en de vader is op 5 maart 2016 genaturaliseerd tot Nederlander. De nareisaanvraag werd afgewezen omdat eiser geen houder meer is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, een vereiste volgens artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
Eisers stelden dat de nareisaanvraag beoordeeld moest worden naar de situatie ten tijde van de eerste aanvraag in 2010 en dat de gunstiger voorwaarden voor vluchtelingen van toepassing zouden zijn. De rechtbank oordeelde dat de beoordeling plaatsvindt op het moment van de aanvraag in 2016 en dat eiser sinds zijn naturalisatie geen vreemdeling meer is. Hierdoor kon hij niet meer als referent optreden voor nareis.
Verder is met de naturalisatie eiser Unieburger geworden, waardoor de Gezinsherenigingsrichtlijn niet meer op hem van toepassing is. De rechtbank verwierp het argument dat zijn vluchtelingenachtergrond een uitzondering rechtvaardigt. Eisers kunnen nog steeds gebruik maken van de reguliere gezinsherenigingsprocedure. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de nareisaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat de referent na naturalisatie geen vreemdeling meer is.