ECLI:NL:RBDHA:2019:12648
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende aannemelijkheid van eerwraak en staatloosheid
Eiseres, van Palestijnse afkomst en woonachtig in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE), verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Zij stelde staatloos te zijn en vreesde eerwraak van haar familie vanwege haar relatie met een staatsburger van de VAE en een eerdere abortus. Verweerder wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van staatloosheid en onvoldoende aannemelijkheid van de gevreesde eerwraak en andere risico's.
De rechtbank oordeelde dat de vraag naar staatloosheid buiten de reikwijdte van de asieltoets valt en dat eiseres niet onder artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag valt omdat zij geen daadwerkelijke hulp van UNRWA ontving. De rechtbank vond dat verweerder terecht niet toetste aan de feitelijke toegang tot de VAE, omdat dit niet relevant is voor de asielprocedure.
De rechtbank concludeerde dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij vreest voor eerwraak, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen en het feit dat zij haar relatie jarenlang geheim wist te houden. Ook achtte de rechtbank de vrees voor gedwongen uithuwelijking en vervolging wegens abortus niet aannemelijk. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel is ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van staatloosheid en risico op eerwraak of ernstige schade.