Eiseres, een Colombiaanse vrouw, werd op 30 september 2019 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en kreeg een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Zij stelde dat zij recht had op bedenktijd als (vermeend) slachtoffer van mensenhandel en dat de maatregel onrechtmatig was. De rechtbank oordeelde dat het hebben van bedenktijd geen recht op verblijfsrecht geeft volgens het Unierecht en dat de bewaringsrechter hierover niet kan oordelen.
Eiseres voerde ook aan dat zij rechtmatig verblijf ontleent aan haar Spaanse echtgenoot, maar kon dit niet met documenten onderbouwen. Verder was de ophouding langer dan de toegestane zes uur, namelijk 35 minuten, maar de rechtbank vond dit gebrek niet onrechtmatig omdat de belangen van bewaring in verhouding stonden tot de termijnoverschrijding.
De rechtbank stelde vast dat eiseres met een toeristenvisum Nederland was binnengekomen maar niet meer voldeed aan de voorwaarden, en dat er een reëel risico was dat zij zich aan toezicht zou onttrekken. Minder dwingende maatregelen waren niet effectief. Het beroep tegen de bewaring, het terugkeerbesluit en het inreisverbod werd ongegrond verklaard. Wel werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten wegens een gebrek in het voortraject.