ECLI:NL:RVS:2019:1911
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling met declaratoir verblijfsrecht op grond van Unierecht
De vreemdeling is op 23 november 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank heeft op 7 december 2018 het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening om uitzetting naar Polen te voorkomen.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de vraag of de vreemdeling een declaratoir verblijfsrecht op grond van het Unierecht heeft, in hoger beroep moet worden getoetst. Omdat het verzoek om voorlopige voorziening dezelfde rechtsvraag betreft, is de voorzieningenrechter bevoegd dit verzoek te behandelen en wordt feitelijke uitzetting voorlopig verboden.
De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. De voorlopige voorziening geldt totdat het hoger beroep is beslist, waarmee wordt voorkomen dat mogelijk ten onrechte het verblijfsrecht wordt beperkt door uitzetting.
Uitkomst: De vreemdeling mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep over zijn declaratoir verblijfsrecht is beslist.