Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek
bullyingen leidt tot een onveilig werkklimaat. Herplaatsing is niet aan de orde, omdat [verweerder] overal in de organisatie met vrouwelijke medewerkers zou moeten werken. De arbeidsrelatie is ernstig verstoord. Het vertrouwen in [verweerder] is volledig verloren, nu hij niet in staat of bereid is gebleken zijn gedrag aan te passen.
4.Het verweer
WhatsApp-conversaties. De opmerkingen die door [verweerder] zijn gemaakt, moeten in die context worden gezien. Naar aanleiding van de eerste klacht is wel gesproken, maar aan dat gesprek wordt nu veel meer gewicht gegeven dan destijds. [verweerder] is niet duidelijk gewaarschuwd dat hij bij herhaling zijn baan kon verliezen. De opmerking die aanleiding was voor de tweede klacht, was weliswaar ongepast, maar niet dusdanig ongepast dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen die een ontbinding per direct en zonder vergoeding zou rechtvaardigen. Daarbij is naast de bedrijfscultuur van belang dat er tussen de werkneemster en [verweerder] een vriendschappelijke relatie bestond, waarin over en weer platvloerse opmerkingen werden gemaakt. Met de werkneemster heeft een goed gesprek plaatsgevonden en zij hebben het uitgepraat. Zijn bedoeling was niet om seksueel te intimideren, de klachtenprocedure was onzorgvuldig en de sanctie is buitenproportioneel.
5.De beoordeling
Stcrt.2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).
me toois gevallen, hetgeen erop duidt dat de gedraging door OGD als ernstig werd opgevat. Ook [verweerder] moet dit zo hebben begrepen, nu hij heeft verklaard dat hij het niet fijn vond dat dit hem werd verweten, omdat dit niet is hoe hij is en bekend wil staan. [verweerder] had dus moeten weten dat OGD het maken van dergelijke opmerkingen niet accepteerde.
WhatsApp-berichten overgelegd waaruit blijkt dat onderling, ook binnen het management, grappen werden gemaakt over vrouwen. Daarnaast heeft hij een verklaring overgelegd, waaruit zou volgen dat het gedrag zich niet beperkte tot ‘mannen onderling’ en dat handtastelijkheden met name tijdens borrels en uitjes aan de orde van de dag waren, zonder dat daar door de organisatie gevolgen aan werden verbonden.
WhatsApp-berichten is de kantonrechter van oordeel dat deze berichten niet gelijkgesteld kunnen worden aan de opmerkingen zoals [verweerder] die heeft gemaakt tegen de twee werkneemsters. Immers, zoals onweersproken is gesteld, werden de grappen en opmerkingen in de
WhatsApp-berichten gemaakt tussen gelijken onderling. Het waren bovendien grappen over anderen, waar die anderen niet bij waren. De opmerkingen zoals [verweerder] die heeft gemaakt werden daarentegen juist gemaakt tegen werkneemsters die in meer of mindere mate van [verweerder] afhankelijk waren en door deze opmerkingen gekwetst werden. Daarbij komt dat het in beide gevallen ging om personen die zich in een extra kwetsbare situatie bevonden. De eerste werkneemster was aan het re-integreren, de tweede werkneemster had net van [verweerder] te horen gekregen dat hij vond dat zij niet voldoende capabel was voor haar taken. De context waarin deze opmerkingen werden gemaakt, verschilt dan ook wezenlijk van de context waarin de
WhatsApp-berichten werden gemaakt.