ECLI:NL:RBDHA:2019:1275
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige bekering tot derwisj en christendom
Eiser, een Iraanse nationaliteit dragende asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van asiel. Hij stelde dat hij zich had bekeerd tot een mystieke islamitische sekte, de [X], en later tot het christendom, hetgeen tot vervolging en onderdrukking leidde in Iran. Na zijn bekering tot het christendom vluchtte hij uit Iran.
Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van het asielrelaas, met name over de bekeringen en de daaruit voortvloeiende vervolging. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn bekeringen gebaseerd waren op een diepgewortelde innerlijke overtuiging.
De rechtbank overwoog dat eiser zich niet onverwijld had gemeld bij binnenkomst in Nederland, wat afbreuk deed aan zijn geloofwaardigheid. Ook werden de verklaringen over de bekering tot de [X]-geloofsleer en het christendom als vaag en inconsistent beoordeeld. Documenten ter onderbouwing waren onvoldoende of niet overtuigend. Daarnaast ontbrak een aannemelijk risico op ernstige schade bij uitzetting naar Iran.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardige bekering en onvoldoende aannemelijk gemaakte vervolgingsrisico's.