ECLI:NL:RVS:2014:890
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel na beoordeling geloofwaardigheid bekering
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 8 november 2013 aanvragen van twee vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag vernietigde deze besluiten op 4 december 2013 en bepaalde dat de staatssecretaris nieuwe besluiten moest nemen. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep kennelijk ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de staatssecretaris de besluiten deugdelijk had gemotiveerd, met name dat in Irak ten tijde van belang geen uitzonderlijke situatie bestond die bescherming zou rechtvaardigen.
Verder werd het betoog van vreemdeling 2 dat hij oprecht was bekeerd tot het christendom onderzocht. De staatssecretaris had geoordeeld dat de bekering ongeloofwaardig was vanwege het ontbreken van overtuigende verklaringen en inconsistenties in het verhaal, ook rekening houdend met zijn jeugdige leeftijd. De Raad van State vond dat dit oordeel redelijk was en dat de bestuursrechter dit terughoudend toetst.
Ten slotte werd bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 487,00 aan de vreemdelingen voor rechtsbijstand door een derde.
De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 6 maart 2014.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond.