ECLI:NL:RBDHA:2019:12768
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 2 juli 2019 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Italië verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. Nederland had Italië verzocht om terugname van eiser, waarop Italië niet tijdig reageerde, waardoor de verantwoordelijkheid vaststond.
Eiser voerde aan dat de staatssecretaris zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening had moeten gebruiken om de aanvraag alsnog in behandeling te nemen, vanwege het niet onverkort toepassen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Italië. Hij verwees naar recente interim measures van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en stelde dat hij door Italiaanse autoriteiten was veroordeeld en een inreisverbod had gekregen na dwang door maffia, waardoor hij risico liep op onrechtmatige behandeling in Italië.
De rechtbank verwees naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin werd bevestigd dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Italië geldt, omdat er geen structurele tekortkomingen zijn in opvang en asielprocedure en geen reëel risico op schending van fundamentele rechten. De interim measures van het EHRM zijn gericht op bijzonder kwetsbare groepen, waartoe eiser niet behoort.
De rechtbank oordeelde dat eiser de mogelijkheid heeft om bescherming te vragen bij Italiaanse autoriteiten en dat er geen aanwijzingen zijn dat dit onmogelijk of kansloos is. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.