ECLI:NL:RBDHA:2019:13545
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding zonder transitievergoeding
De werkgever verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, waarbij herplaatsing niet mogelijk was. Zowel werkgever als werknemer erkenden dat de arbeidsverhouding zodanig verstoord was dat voortzetting redelijkerwijs niet van de werkgever kon worden verlangd.
De kantonrechter oordeelde dat aan de voorwaarden van artikel 7:671b lid 1 sub a juncto artikel 7:669 lid 3 sub g BW Pro was voldaan en dat er geen sprake was van omstandigheden die de toepassing van opzegverboden in de weg stonden. De arbeidsovereenkomst werd ontbonden met ingang van 1 maart 2020, zonder toekenning van transitievergoeding omdat deze was verdisconteerd in de ruime opzegtermijn.
De werkgever werd veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon vanaf 1 augustus 2019 tot het einde van de arbeidsovereenkomst, alsmede tot uitbetaling van het opgebouwde vakantiegeld en het verstrekken van een eindafrekening. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten. De beschikking werd uitgesproken in een openbare zitting op 29 november 2019.
Uitkomst: Arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 maart 2020 zonder transitievergoeding, met betaling van achterstallig loon en vakantiegeld.