ECLI:NL:RBDHA:2019:14370
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen ingangsdatum verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en te late aanvraag
Eiser, een Afghaanse asielzoeker, had een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die op 27 juni 2018 verliep. Hij diende op 28 september 2018 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Verweerder verleende deze vergunning met ingang van de datum van aanvraag, waardoor een onderbreking in het verblijfsrecht ontstond. Eiser voerde aan dat hij verschoonbare redenen had voor de late aanvraag en dat het gewijzigde beleid per 2 november 2018 aansluitende verlening voorschrijft, ook bij verlopen vergunningen vóór 1 oktober 2018.
De rechtbank oordeelde dat eiser zelf verantwoordelijk is voor het tijdig indienen van de aanvraag en dat zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende zijn om dit te verontschuldigen. Het gewijzigde beleid geldt niet voor vergunningen die vóór 1 oktober 2018 zijn verlopen, wat niet onredelijk is. Er is geen sprake van een onevenredige benadeling van eiser door het beleid, en de verwijzing naar een eerdere uitspraak met andere feiten is niet relevant.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt ongegrond verklaard.