ECLI:NL:RBDHA:2019:1690

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 januari 2019
Publicatiedatum
26 februari 2019
Zaaknummer
NL18.23169
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 17 DublinverordeningVerordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser, een alleenstaande man van Algerijnse nationaliteit, diende op 16 oktober 2018 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, besloot op 3 december 2018 de aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublin-verordening. Nederland had een verzoek tot overname bij Italië ingediend.

Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat er sprake is van systematische tekortkomingen in de Italiaanse asielprocedure en opvangvoorzieningen, waardoor het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer zou gelden. De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin werd geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel ten opzichte van Italië nog steeds geldt.

De rechtbank oordeelde dat het gezamenlijke rapport van de Danish Refugee Council en de Swiss Refugee Council geen wezenlijk ander beeld gaf. Bovendien was niet aangetoond dat eiser een kwetsbaar persoon is die aanvullende garanties vereist. Daarom was er geen reden voor verweerder om de behandeling van de aanvraag aan zich te trekken. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.23169
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] eiser

(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.23170, plaatsgevonden op 24 januari 2019. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser is een alleenstaande man van Algerijnse nationaliteit, geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 16 oktober 2018 in Nederland asiel aangevraagd.
2. Ter zitting is gebleken dat niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag, omdat eiser via dat land de Europese Unie is binnengekomen. Nederland heeft dan ook bij Italië een verzoek om overname gedaan. Met het claimakkoord van 26 november 2018 hebben de Italiaanse autoriteiten gegarandeerd om eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Dit is de juridische grondslag om aan te nemen dat Italië zich tegenover eiser zal houden aan zijn internationale verplichtingen.
3. Eiser verzet zich tegen overdracht aan Italië. Hij betoogt dat er sprake zou zijn van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zodat ten opzichte van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
4. De rechtbank overweegt dat de rapportages van internationale organisaties die eiser in de besluitvormingsfase heeft overgelegd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) betrokken zijn in de uitspraken van 10 oktober 2018 [1] en
19 december 2018 [2] . De Afdeling heeft daarin geconcludeerd dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië nog steeds kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is daarom de vraag of uit het gezamenlijke rapport van de Danish Refugee Council en de Swiss Refugee Council van 12 december 2018, waarnaar ter zitting is verwezen, een wezenlijk ander beeld naar voren komt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat hiervan niet gebleken is, zodat verweerder nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgegaan.
5. Verder zijn er geen aanvullende garanties van de Italiaanse autoriteiten nodig, omdat niet is aangetoond dat eiser een kwetsbaar persoon is.
6. Er was daarom geen aanleiding voor verweerder om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken met toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening [3] .
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, op 24 januari 2019.
Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

3.Verordening (EU) nr. 604/2013