ECLI:NL:RBDHA:2019:1701
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag uit Algerije wegens onvoldoende persoonlijke onveiligheid
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat zijn vader, lid van de FIS, in 2002 door de Algerijnse veiligheidsdiensten werd vermoord en dat hijzelf daardoor geen toegang had tot faciliteiten in Algerije. Daarnaast was hij in 2014 gedetineerd na deelname aan een demonstratie.
Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat de moord op de vader niet geloofwaardig was en Algerije als veilig land van herkomst werd beschouwd. De rechtbank oordeelde dat de overgelegde documenten onvoldoende bewijs boden en dat de verklaringen over het ontbreken van faciliteiten niet aannemelijk waren.
De rechtbank bevestigde dat Algerije sinds 2016 als veilig land geldt en dat de herbeoordeling in 2018 geen wezenlijke wijziging in de situatie aantoonde. Eiser slaagde er niet in het rechtsvermoeden te weerleggen dat Algerije voor hem persoonlijk veilig is.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Algerije als veilig land van herkomst geldt en eiser onvoldoende persoonlijke onveiligheid aannemelijk heeft gemaakt.