ECLI:NL:RBDHA:2019:2366
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinprocedure naar Italië
Eiser, een Ghanees, diende op 29 december 2018 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Nederland had een verzoek tot terugname aan Italië gedaan, dat werd aanvaard.
Eiser betoogde dat hij bij overdracht aan Italië een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro vanwege het Italiaanse wetsdecreet van 24 september 2018, dat volgens hem heeft geleid tot verslechterde opvangomstandigheden. Hij verwees naar diverse rapporten en recente jurisprudentie die het interstatelijk vertrouwensbeginsel ter discussie stellen.
De rechtbank verwees naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 19 december 2018, waarin werd geoordeeld dat het decreet niet leidt tot systematische tekortkomingen in de opvang van Dublinclaimanten. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in zijn geval niet kan worden toegepast.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de overgelegde stukken geen wezenlijk ander beeld geven dan de Afdelingsuitspraak en dat de sluiting van een opvangcentrum in Italië onvoldoende is om te concluderen dat Italië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens Dublinprocedure naar Italië wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.