Eiser werd aanvankelijk veroordeeld voor medeplichtigheid aan diefstal met geweld en bracht 186 dagen in voorlopige hechtenis door. Na cassatie vernietiging en terugverwijzing sprak het gerechtshof Den Bosch eiser vrij omdat onvoldoende bewijs was voor medeplegen en medeplichtigheid aan het gronddelict diefstal met geweld. Het hof stelde vast dat eiser opzet had gericht op het faciliteren van andere misdrijven zoals witwassen en oplichting, niet op het faciliteren van diefstal met geweld.
Eiser vorderde vervolgens van de Staat vergoeding wegens onrechtmatige vervolging en onterechte voorlopige hechtenis, stellende dat vanaf het begin een redelijk vermoeden van schuld ontbrak. De rechtbank overwoog dat voor aansprakelijkheid van de Staat moet worden voldaan aan twee cumulatieve criteria: het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld vanaf het begin (a-grond) en het achteraf onterecht zijn van de verdenking (b-grond).
De rechtbank oordeelde dat het beroep op de a-grond faalt omdat het hof had vastgesteld dat eiser opzet had gericht op het faciliteren van andere strafbare feiten, waardoor het vermoeden van schuld niet ontbrak. Ook het beroep op de b-grond faalde omdat eiser niet voldeed aan de strenge maatstaf van gebleken onschuld, aangezien hij niet onomstotelijk onschuldig was aan alle verdenkingen. De vordering werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.