ECLI:NL:RBDHA:2019:2658
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag wegens Dublin-overdracht aan Bulgarije
Eiser, een Libische nationaliteit dragende vreemdeling, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid besloot deze aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser betoogde dat Nederland de behandeling aan zich moest trekken wegens risico op detentie en slechte detentieomstandigheden in Bulgarije, onderbouwd met verwijzingen naar een eerdere uitspraak en het AIDA-rapport.
De staatssecretaris stelde dat de enkele acceptatie van het terugnameverzoek door Bulgarije onvoldoende is om detentie te vrezen en dat het aan eiser is om concrete aanwijzingen te leveren. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Bulgarije in detentie zal worden genomen of dat hij zal worden blootgesteld aan een schending van artikel 3 EVRM Pro. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt nog steeds ten aanzien van Bulgarije, en eiser heeft nagelaten relevante Bulgaarse documenten te overleggen.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gedaan door rechter Sinack en griffier Loonstra op 18 maart 2019 in Middelburg. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet te behandelen is ongegrond verklaard.