ECLI:NL:RBDHA:2019:3408

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2019
Publicatiedatum
9 april 2019
Zaaknummer
NL19.5231
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 30a VwArt. 3.106a VbArt. 33 Richtlijn 2013/32/EUArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens bescherming in Roemenië

Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 15 februari 2019 een asielaanvraag in in Nederland. De staatssecretaris verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk omdat uit Eurodac bleek dat eiser reeds op 7 juli 2017 internationale bescherming had gekregen in Roemenië.

Eiser betwistte deze vaststelling en voerde aan dat hij in Roemenië geen asielprocedure had doorlopen, zijn rechten niet werden gerespecteerd en de opvang mensonterend was. Hij stelde ook dat hij geen toegang had tot rechtshulp of medische zorg en dat klagers werden gestraft.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht mocht uitgaan van de Eurodac-gegevens en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat deze onjuist waren. De rechtbank vond dat eiser een redelijke band met Roemenië had en dat het vertrouwen in de naleving van internationale verplichtingen door Roemenië op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel gerechtvaardigd was.

Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat terugkeer naar Roemenië in zijn situatie onredelijk was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.5231

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2019 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Grigorjan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2019.
Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1996 en de Syrische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 15 februari 2019 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat de Roemeense autoriteiten reeds op 7 juli 2017 aan eiser internationale bescherming hebben verleend. Verweerder heeft daarom de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, gelezen in samenhang met artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb), niet-ontvankelijk verklaard.
2. Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet Pro‑ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van Pro de Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (de Procedurerichtlijn), indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet.
3. Eiser betwist dat hij in Roemenië internationale bescherming heeft gekregen. Hij heeft in Roemenië geen asielprocedure doorlopen, heeft nooit verklaard over zijn asielmotieven en was op het moment van verlening reeds met onbekende bestemming uit Roemenië vertrokken.
Eiser betoogt voorts dat er in Roemenië geen opvangvoorzieningen zijn, dan wel dat deze mensonterend zijn. Hij stelt verder dat de opvang waarin hij zat vergelijkbaar is met een gevangenis. Zijn bewegingsvrijheid was zeer beperkt. Voorts stelt hij dat in Roemenië zijn rechten niet worden gerespecteerd, dat hij geen toegang heeft gehad tot een rechtshulpverlener of een tolk en dat hem medische zorg werd onthouden. Er was geen mogelijkheid om daarover te klagen, omdat klagers worden bestraft, aldus eiser.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1
Ingevolge vaste jurisprudentie mag verweerder uitgaan van de juistheid van de in Eurodac opgenomen gegevens. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat die gegevens niet juist zijn. Eiser is met hetgeen hij heeft aangevoerd hierin niet geslaagd. De enkele stelling dat hij geen asielprocedure heeft doorlopen is onvoldoende. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verweerder dan ook terecht uit is gegaan van het verblijfsrecht van eiser in Roemenië. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat gezien dit verblijfsrecht eiser daardoor in beginsel een zodanige band met Roemenië heeft dat het voor hem redelijk is om daarnaartoe terug te keren. In dit kader verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 30 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1795).
4.2
De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder ten aanzien van Roemenië op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er vanuit mag gaan dat Roemenië zijn internationale verplichtingen naleeft (zie de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:442). Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn individuele situatie niet het geval is. Daarin is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de situatie voor statushouders in Roemenië in algemene zin zodanig is dat van een schending van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) dient te worden uitgegaan en daarom van hem in redelijkheid niet kan worden verwacht naar dat land terug te keren. Bovendien heeft verweerder er terecht op gewezen dat, voor zover eiser van mening is dat Roemenië zich niet houdt aan de Opvang- en Procedurerichtlijn, hij hierover bij de Roemeense autoriteiten dient te klagen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de (hogere) autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen. De niet onderbouwde stelling dat klagers worden bestraft is daartoe onvoldoende.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 1 april 2019 door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking