ECLI:NL:RBDHA:2019:3917
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, van Syrische nationaliteit, diende op 22 november 2018 een asielaanvraag in. Verweerder stelde vast dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening en nam de aanvraag niet in behandeling. Eiser betoogde dat Polen zijn verdragsverplichtingen niet zou nakomen, met name vanwege detentiegevaar en zorgen over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.
De rechtbank overwoog dat verweerder uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Polen zijn verplichtingen niet naleeft. De vrees voor detentie en de verwijzing naar een lopende artikel 7-procedure bieden geen grond om af te wijken van dit vertrouwensbeginsel. Ook is geen sprake van bijzondere individuele omstandigheden die overdracht onevenredig hard maken.
De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat verweerder terecht heeft besloten de asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.