In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 7 mei 2019 uitspraak gedaan in een verzoek om voorlopige voorziening van een Armeense vrouw, die met haar minderjarige dochter naar Nederland wilde komen om zich bij haar echtgenoot te voegen. De vrouw had eerder een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend, die door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) was afgewezen. De vrouw had bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing en verzocht om een voorlopige voorziening, zodat zij als ware zij in het bezit van een mvv behandeld kon worden.
De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld op een zitting op 25 april 2019, waarbij de vrouw werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde, mr. V. Sarkisian. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door mr. Ch.R. Vink, was niet aanwezig. De voorzieningenrechter overwoog dat de afwijzing van de mvv-aanvraag was gebaseerd op het feit dat de vrouw een gevaar voor de openbare orde zou zijn, vanwege een eerdere veroordeling tot een taakstraf die zij niet had voltooid.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen zwaarwegend spoedeisend belang was dat de afwijzing van de voorlopige voorziening rechtvaardigde. De vrouw en haar dochter verblijven al sinds 2012 in Armenië, gescheiden van haar echtgenoot, en de voorzieningenrechter oordeelde dat het treffen van de gevraagde voorziening een vrijwel definitief karakter zou hebben. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, en er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten of vergoeding van het griffierecht. De uitspraak werd openbaar uitgesproken op 7 mei 2019.