Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 mei 2019 in de zaak tussen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 20 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 19 augustus 2015 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarnaast heeft verweerder ambtshalve besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en dat geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000.
Overwegingen
Forensisch Medisch Onderzoek door NFI en NIFP
- Het aangetroffen litteken op het linker onderbeen betreft een aspecifiek litteken
- Van meerdere huidlittekens kan niet eenduidig worden gesteld dat deze het gevolg zijn van slaan (al dan niet met een stok) of schoppen. Er zijn verspreid over het lichaam meerdere kleine aspecifieke huidlittekens gebleken die onder andere verklaard zouden kunnen worden door huidletsel als gevolg van slaan en schoppen, maar ook andere vormen van geweld kunnen verklarend zijn. Er kan daarom geen uitspraak worden gedaan over de waarschijnlijkheid dat eiser is geslagen (met onder andere een stok) en geschopt;
- Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een doorgemaakte perforerende ribbreuk. Afwezigheid van littekens sluit dit niet helemaal uit, maar maakt het wel minder waarschijnlijk;
- De waargenomen littekens bij de rechterknie zijn mogelijk verklaarbaar door het kruipen op een harde (al dan niet korrelige) ondergrond, maar een andere oorzaak is ook mogelijk. Aan de linkerknie zijn geen littekens gezien. Er kan daarom geen uitspraak worden gedaan over de waarschijnlijkheid dat eiser op zijn knieën op stenen heeft gelopen.
Standpunt verweerder
Gronden van beroep
iMMO-rapportage van 14 november 2018
- De littekens op de wangen worden beoordeeld als
- Het litteken op de rechterelleboog wordt beoordeeld als
- De littekens aan de voorzijde van het linker bovenbeen worden beoordeeld als
- De littekens op de enkels en voeten worden beoordeeld als
- Het totaal aan littekens op beide knieën, de knieklachten en geobserveerde crepitaties (kraken) wordt beoordeeld als
- De littekens aan de buitenzijde van de knieën worden beoordeeld als
- Het litteken op het rechterbovenbeen wordt beoordeeld als
- De littekens op beide scheenbenen worden, gelet op de lokalisatie en verspreiding op beide onderbenen en de hoeveelheid aan littekens, beoordeeld als
- De littekens op beide bovenbenen worden beoordeeld als
- De lokale rugpijn wordt geduid als
- De pijn aan de voorkant in het midden van de borstkas wordt beoordeeld als
- De pijnklachten van het rechterbovenbeen worden beoordeeld als
- De psychische klachten worden beoordeeld als
“(…) A. Is het aannemelijk dat de lichamelijke problematiek (littekens en/of fysieke klachten) is voortgekomen uit het gestelde relaas dat ten grondslag ligt aan de asielaanvraag?
In welke mate is sprake van causaliteit tussen fysieke en/of psychische sporen/aandoeningen enerzijds en de wijze van het ontstaan daarvan zoals gesteld in het asielrelaas anderzijds?’. Het iMMO heeft de volgende vraag beantwoord:
‘Is het aannemelijk dat de lichamelijke/psychische problematiek is voortgekomen uit het gestelde relaas dat ten grondslag ligt aan de asielaanvraag?’. De onderzoeksvraag van het NFI en het NIFP is beperkter dan de vraag die het iMMO heeft beantwoord. De onderzoeksvraag van het NFI en het NIFP strekt zich namelijk niet uit tot het causaal verband tussen de sporen en het asielrelaas als geheel, zoals bij het iMMO wel het geval is. Verder stelt de rechtbank vast dat het iMMO de causale relatie tussen de medische bevindingen en het asielrelaas heeft beoordeeld volgens het Istanbul Protocol. Het Istanbul Protocol bevat praktische richtlijnen voor artsen die zich bezig houden met onderzoek naar marteling en mishandeling en is door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aanvaard als standaard voor het medisch onderzoek bij gestelde slachtoffers van marteling. Het Istanbul Protocol is niet bindend. Verder staat in het verweerschrift vermeld dat (ook) het NFI werkt via het Istanbul Protocol, maar in het bestreden besluit heeft verweerder juist aangegeven dat het NFI geen gebruik maakt van het Istanbul Protocol. Ook uit het rapport van het NFI zelf blijkt niet dat gebruik is gemaakt van de gradaties van het Istanbul Protocol, ook al is door de deskundige van het NFI ter zitting verklaard dat ook het NFI gebruik maakt van het Istanbul Protocol. De onderzoekers van het NFI maken echter voor de interpretatie van hun bevindingen geen gebruik van het Istanbul Protocol, maar van het zogenoemde Bayesiaanse model. Dit houdt in dat er twee tegengestelde en elkaar uitsluitende hypothesen worden geformuleerd en dat vervolgens wordt beoordeeld wat de kans is dat een bepaalde hypothese juist is. De onderzoekers van het NFI/NIFP en het iMMO beantwoorden in hun rapporten dus niet alleen een andere onderzoeksvraag maar zij gebruiken ook een andere onderzoeksmethode.
“Er zijn geen aanwijzingen bevonden voor een doorgemaakte perforerende ribbreuk. Afwezigheid van littekens sluit genoemde vorm van mishandeling weliswaar niet helemaal uit, maar maakt het doorgemaakt hebben van vermelde letsels minder waarschijnlijk.”.
“De bevindingen bij lichamelijk onderzoek zijn minder waarschijnlijk onder hypothese 1 dan onder hypothese 2”.Ook acht de rechtbank niet inzichtelijk waarom in het geval letsel aspecifiek is voor het gestelde geweld geen uitspraak kan worden gedaan over de causale relatie. Het komt de rechtbank voor dat bij deze wijze van onderzoek enkel letsel dat eenduidig veroorzaakt kan worden door het gestelde geweld bewijswaarde heeft voor het relaas. Deze kwalificatie is echter vergelijkbaar met de hoogste gradaties uit het Istanbul Protocol, terwijl ook de zogenaamde lichtere gradaties van causaliteit steunbewijs kunnen vormen voor de aannemelijkheid van het relaas. Dat geconstateerd letsel ook op andere wijze dan volgens de verklaringen van eiser kan zijn ontstaan brengt niet mee dat dit letsel op generlei wijze het relaas kan ondersteunen. Eiser hoeft immers zijn relaas niet te bewijzen maar slechts aannemelijk te maken. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat, zonder nadere motivering, verweerder deze conclusies niet aan zijn besluit ten grondslag kan leggen. De rechtbank stelt vast dat dit een motiveringsgebrek is dat tot vernietiging van het bestreden besluit dient te leiden.
- de beoordeling van het relaas onvoldoende is gemotiveerd;
- de conclusie in het deskundigenbericht van het NFI zonder nadere motivering niet inzichtelijk is en daarom niet ten grondslag kan worden gelegd aan het besluit;
- een deel van de bevindingen van het iMMO-rapport ziet op onderzoek dat niet is verricht door het FMO en daarom niet is weerlegd met een deskundigenbericht en derhalve ook moet worden betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling;
- de medische bevindingen van de deskundigen van beide partijen dienen te worden betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling en verweerder niet kan volstaan met het enkel waarderen en wegen van de bevindingen van het FMO.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 5.470,75,
- bepaalt dat de griffier de onder rechtsoverweging 36 genoemde kosten aan de getuige-deskundigen zal voldoen.